Back to Top
 
 
 
maandag, 13 februari 2012 12:35

Historische inleiding archief

Gewassen pentekening van Abraham de Haen naar een tekening van Abraham Meyling uit 1733.

Het Huis te Breckelenkamp beschikte vroeger niet over een archief en is, in vergelijking met andere historische buitenplaatsen, in de geschiedschrijving stiefmoederlijk bedeeld. Voor een deel kan dit verklaard worden uit de afgelegen ligging van het Huis.  De onderzoekers, reizigers en kunstenaars die vanaf ongeveer het begin van de achttiende eeuw de oudheden van Nederland in kaart brachten hadden er vaak moeite mee om dit aan de rand van een uitgestrekt moerasgebied liggende noordelijkste puntje van Twente te vinden. Een andere oorzaak is dat de zeventiende-eeuwse bewoners vijanden waren van de Staten, waardoor geschiedschrijvers nog tot na de Tweede Wereldoorlog moeite hadden een objectief beeld van het Huis en zijn geschiedenis te geven.

Moet de geschiedenis van het Huis door dit gebrek aan informatie dan onderbelicht blijven? Gelukkig niet, want wie zich de moeite neemt te rade te gaan bij voor Nederlandse onderzoekers minder gebruikelijke bronnen stuit juist op een overvloed aan gegevens. Veel daarvan is niet onbekend, wel ongebruikt op dit zijspoor van de vaderlandse geschiedenis. De belangrijkste bronnen zijn afkomstig van mensen die op de een of andere manier te maken hadden met het Huis en die hun belevenissen op papier hebben gezet in de vorm van een dagboek of correspondentie. Zij zorgden daarmee voor een schat aan zeer persoonlijke getuigenissen.

Brief van Wayer aan Adriaan van Camont Zwolle, 13 juni 1649Zo was er de Zwolse priester Arnold Waeijer (1606-1692), huisvriend en vertrouwensman van de Bentincks. Zeker, zijn uitvoerige aantekeningen over de lotgevallen van de katholieken in Zwolle en omstreken in de zeventiende eeuw zijn overbekend. Ze werden door hem op hoge leeftijd samengevoegd tot het handschrift Nopende het Aerts-Priesterschap van Swolle naer de beroerten deser Nederlanden mitsgaders van eenige gedenckweerdige voorvallen. Het is een uniek document over de vervolging van de katholieken van de hand van een tijdgenoot en ooggetuige. Waeijer beschrijft hierin de gevaren waaraan de priesters in die dagen waren blootgesteld, de spanningen en incidenten rond de schuilkerken, de voortdurende intimidaties en de onderdrukkende en willekeurig toegepaste wetten en regels. Het handschrift is van bijzonder belang voor de geschiedenis van het Huis omdat er gebeurtenissen in worden beschreven waarbij Gerard Adolph Bentinck, de meest spraakmakende Heer van Breckelenkamp, betrokken was. Veel van die gebeurtenissen komen niet in andere bronnen voor. De auteur was er zelf bij aanwezig of er ten minste nauw bij betrokken.

Veel minder bekend is de correspondentie die Waeijer voerde met Gerard Adolph, met diens vader Everhard en met Adriaan van Camont, de schoonvader van Gerard Adolph. Die briefwisseling vond plaats over een periode van meer dan twaalf jaar en het grootste deel ervan is bewaard gebleven. De brieven geven een zeldzaam inzicht in de zorgen en drijfveren van de Bentincks, hun lief en leed en hun dagelijkse beslommeringen. Daarmee zijn ze van grote betekenis voor de geschiedenis van het Huis te Breckelenkamp. Het enige dat er over lijkt te zijn gepubliceerd is een aantal summiere losse verwijzingen in een geschriftje van Thomas de Vries uit 1947. Daarin wordt de Bentincks echter beslist geen recht gedaan. Het lezen van de oorspronkelijke brieven in hun geheel en niet beperkt tot enkele passages leidt tot een heel andere, veel positievere kijk op de familie.

Overeenkomst tussen Johan Caspar Joseph von Raet en Herman Otto Bentinck[br]12 februari 1778Een bron van nog grotere betekenis is Johann Caspar Joseph de Raet van Beugelskamp (1715-1795), zwager van een kleinzoon van Gerard Adolph Bentinck. De Raet verzamelde en kopieerde alles wat maar enigszins met de Breckelenkamp te maken had, vanaf de eerste bewoners tot aan zijn tijd. Dat deed hij voornamelijk in verband met een slepende erfeniskwestie. Zijn zoon Frederik Ferdinand ging er uit belangstelling met evenveel energie mee door. De hele verzameling documenten kwam in het Staatsarchiv Münster terecht.

Met deze rijkdom aan informatie is het mogelijk de geschiedenis van het Huis te doorweven met citaten en anekdotes die de personen dichterbij brengen. Over de vroegste bewoners van het Huis is niet veel bekend. Ze zullen min of meer in het verleden verborgen blijven omdat we voor gegevens over hen over het algemeen slechts kunnen putten uit genealogieën, inschrijvingen in leenregisters, akten en bezoeken aan de landdagen van de ridderschap. Daar komt in de loop van de zestiende eeuw door het beschikbare bronnenmateriaal geleidelijk verandering in. Dan komt er meer zicht op de mensen en hun drijfveren.

 

breckzandst2

Gepubliceerd in FRONT items archief